Een lange weg naar de Peruviaanse jungle

Door Eva de Reus
Dit artikel hoort bij het land Peru
Toon meer berichten

Er zijn meerdere plekken waar je heen kunt om de Peruviaanse jungle te bezoeken. Wij kiezen voor het stadje Puerto Maldonado als uitvalsbasis. Om hier te komen, moeten we eerst een behoorlijk stuk rijden.

De grensovergang van Bolivia met Peru verloopt soepel. Geen vage corrupte toestanden, waar we bij Peru toch wel een beetje bang voor waren. In nog geen twintig minuten rijden we door een nieuw land, en hoe! Het stadje over de grens heeft super smalle straatjes, maar we moeten er per se doorheen voor de ATM. Dat gaat niet helemaal fantastisch: Dominic raakt twee spiegels van geparkeerde auto’s. Oeps. Gelukkig is er niets kapot, dus we rijden door, halen snel wat geld uit de muur en verlaten het stadje zo snel mogelijk. De volgende stad waar we terechtkomen is Puno: een beetje het Copacabana van Peru, maar dan véél drukker. We maken kennis met de Peruviaanse rijstijl, die alles behalve fantastisch is. Het is tijd om te tanken, maar we stuiten op een probleem. In de hele stad is alleen maar benzine 90 of zelfs 84 te krijgen! We weten niet of onze auto, die we normaal altijd braaf voeden met 95, dat wel aankan, dus redelijk zenuwachtig laten we onze bak voltanken met 90. Als dat maar goed gaat. Eenmaal uit het dorp zien we opeens overal tankstations met 95, lekker is dat.

Op naar de volgende stad waar de volgende klus op ons wacht: boodschappen. Gelukkig gaat dat ons wat makkelijker af, want we stuiten op een heus winkelcentrum met foodcourt én mega supermarkt. Met onze buiken vol friet en mozzarella sticks en tassen vol lekkere broodjes en andere etenswarens lopen we tevreden terug naar de auto. Onze auto blijkt minder tevreden, want het starten gaat niet erg soepel. Nu heeft hij de laatste tijd wat vaker problemen door de ijle lucht op deze hoogte, maar dit klinkt nóg slechter. Zouden we er dan toch foute benzine in hebben gegooid? Eenmaal aangekomen bij ons verblijf voor die nacht bellen we met Dominic’s vader (automonteur). Hij verzekert ons dat er niets aan de hand is. Pfieuw. Ondanks het gebrek aan wifi en verwarming zijn we mega blij met ons hoteltje voor de nacht. Er is namelijk een warme douche! Na twee weken afzien in Bolivia kan je ons nergens blijer mee maken.

4850 meter naar beneden

De volgende ochtend worden we beide vroeg wakker en dat is maar goed ook: er wacht namelijk een lange rijdag. Peru heeft niet veel campings en na het lezen van horrorverhalen over berovingen durven we er ook niet echt wild te kamperen. We besluiten daarom in één ruk naar de amazone te rijden. Een rit van zeker zo’n negen uur. We rijden eerst een stuk omhoog en belanden zelfs bijna op de 5000 meter, maar dan komt het: de weg naar beneden. De jungle ligt op zo’n 150 meter hoogte, dus we zaten er stiekem al een beetje op te wachten. Een uur of drie rijden we alleen maar naar beneden. Langs de weg zien we vele kruisjes en huisjes (een soort herinneringsmonument) langs de weg staan van mensen die de rit niet hebben overleefd. Dat is ook niet zo gek als je de rijstijl van de Peruanen met hoge kliffen combineert. Ze halen rustig met een (veel) te hoge snelheid in bij scherpe bochten. Wij doen het een stuk rustiger aan, waardoor we ook iets vertraging oplopen. Maar ach, beter dan een kruisje langs de weg worden.

Terwijl we naar beneden rijden, loopt de gradenmeter in onze auto op. We begonnen de dag met zo’n 0 graden en elke tien minuten komen er zo’n twee graden bij. Eenmaal ‘beneden’ aangekomen is het dertig graden en o wat zijn we blij! De jas kan uit, de ramen open. Iedereen ziet er opeens zomers uit, er liggen ontelbaar veel trossen bananen langs de weg voor de verkoop en het is overal groen. Hoe bizar eigenlijk, dat er in een land zóveel temperatuurverschil kan zijn. Ik zou ’t wel weten als ik Peruaan was.

We redden het nét niet om voor het donker aan te komen. Puerto Maldonado blijkt een relatief grote stad met veel verkeer en dat maakt het rijden in het donker best een uitdaging. Zeker ook omdat het merendeel van de scooters geen verlichting heeft. Eenmaal aangekomen bij de camping die we op het oog hadden, kunnen we niemand vinden. Het is pikkedonker. Dominic is na bijna tien uur rijden helemaal gesloopt en rijdt met tegenzin naar het alternatief. Gelukkig is daar wel iemand en mogen we op het parkeerterrein overnachten. Ik gooi de dikke dekens op de voorbank, want die zijn voor nu even verleden tijd. Slapen in alleen een onderbroek en t-shirt, dit is het echte leven!

Laat via Facebook, YouTube of de reacties hieronder weten wat je van onze blogs, video’s en foto’s vindt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.